Uitspraak
20 639 PW, 20/640 PW-VV
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Verzoekster, een Spaanse EU-onderdaan met drie kinderen, ontving bijstand op grond van de Participatiewet. De staatssecretaris stelde bij besluit vast dat verzoekster en twee van haar kinderen geen verblijfsrecht meer hadden in Nederland. Dit besluit werd na bezwaar en beroep opnieuw bevestigd, met de aanschrijving Nederland binnen vier weken te verlaten.
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok daarop de bijstand van verzoekster met ingang van 26 juli 2019 in en vorderde de kosten terug. Verzoekster stelde beroep in tegen deze intrekking en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat verzoekster geen rechtmatig verblijf had zoals vereist in artikel 11 van Pro de Participatiewet, omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden van de Vreemdelingenwet 2000. Het feit dat zij de voorlopige voorziening in Nederland mocht afwachten, bracht geen rechtmatig verblijf met zich mee. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
De tijdelijke voorziening die eerder was getroffen verviel door deze uitspraak. De Raad bevestigde dat het college terecht de bijstand had ingetrokken en dat verzoekster geen aanspraak meer had op bijstand vanaf 26 juli 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, waarmee de intrekking van de bijstand wordt bevestigd.