Uitspraak
.Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt maar het college is met een besluit van 16 mei 2018 (bestreden besluit) bij de intrekking van de bijstand gebleven.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, met de Angolese nationaliteit, had een verblijfsvergunning die met terugwerkende kracht werd ingetrokken wegens langdurig verblijf buiten Nederland en het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Hierdoor werd zijn aanvraag tot verlenging afgewezen en had hij geen rechtmatig verblijf meer.
De gemeente Almere trok daarop de bijstand in, omdat appellant niet voldeed aan de vereisten van de Participatiewet voor rechtmatig verblijf en gelijkstelling met een Nederlander. Appellant stelde dat hij procedureel rechtmatig verblijf had tijdens de bezwaarprocedure tegen het intrekkingsbesluit, waardoor hij recht op bijstand zou hebben.
De Raad oordeelde dat de uitzondering op rechtmatig verblijf wegens ontbreken van een mvv van toepassing was, zodat appellant niet procedureel rechtmatig verbleef. De gelijkstelling met een Nederlander kon daarom niet worden toegepast. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bleef in stand.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant geen rechtmatig verblijf had en niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander.