ECLI:NL:CRVB:2020:1590
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beperking terugwerkende kracht herziening nabestaandenuitkering woonlandbeginsel
Appellante ontvangt sinds 1993 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) en woont in Tunesië. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) paste in 2012 de woonlandfactor toe bij het vaststellen van de uitkering. Dit besluit werd rechtens onaantastbaar na afwijzing van bezwaar en beroep.
Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad in 2017 stelde de Svb vast dat het woonlandbeginsel niet meer toegepast mocht worden omdat dit in strijd was met het sociale zekerheidsverdrag tussen Nederland en Tunesië. De Svb herzag de uitkering ambtshalve met ingang van 1 januari 2017 en kende een rentevergoeding toe vanaf die datum.
Appellante vorderde in hoger beroep een herziening met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2013 en betaling van wettelijke rente over die periode, stellende dat sprake was van een fout van de Svb en niet van een beleidswijziging. De Raad oordeelt dat de Svb niet verplicht is om verder terug te gaan dan het moment waarop het onjuistheid van het besluit werd geconstateerd, namelijk de rechterlijke uitspraak van 20 januari 2017.
De Raad onderschrijft het beleid van de Svb dat ambtshalve herziening plaatsvindt vanaf het moment van constatering van de onjuistheid en dat rechtens onaantastbare besluiten niet met terugwerkende kracht kunnen worden doorbroken. De vordering van appellante wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de herziening van de nabestaandenuitkering niet verder terug dan 1 januari 2017 hoeft te worden toegepast.