ECLI:NL:CRVB:2020:1736
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging mate van arbeidsongeschiktheid en geschiktheid functies bij WIA-uitkering
Appellante, werkzaam als cateringmedewerkster, meldde zich in 2008 ziek vanwege polsklachten. Het Uwv kende haar in 2010 een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-80%, dat in 2012 werd verhoogd naar 80-100%. Na een herbeoordeling in 2017 stelde het Uwv vast dat appellante 55,98% arbeidsongeschikt is, waarop zij bezwaar maakte dat ongegrond werd verklaard.
Appellante stelde beroep in en overlegde een contra-expertise. De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige die het rapport van het Uwv bevestigde en concludeerde dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist waren vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat de deskundige ten onrechte de contra-expertise niet volgde, met name over beperkingen bij frequent buigen en houdingwisselingen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht het deskundigenrapport volgde, omdat dit zorgvuldig, overtuigend en goed gemotiveerd was. Ook de geschiktheid van de functies werd bevestigd.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellante 55,98% arbeidsongeschikt is.