ECLI:NL:CRVB:2020:1765
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onevenredig zware last door verhoging AOW-leeftijd bij ouderdomspensioen
Appellante, geboren in 1950, kreeg een ouderdomspensioen toegekend vanaf de verhoogde AOW-leeftijd per maart 2016. Zij stelde dat zij vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd een ongerechtvaardigde inbreuk op haar eigendomsrecht leed en dat zij volledig gecompenseerd moest worden.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit bezwaar af, stellende dat appellante geen onevenredig zware last droeg omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden voor een overbruggingsuitkering (OBR) en dat er geen sprake was van leeftijdsdiscriminatie of gerechtvaardigde verwachtingen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege onvoldoende individueel feitenonderzoek door de Svb, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat appellante geen concrete feiten had aangevoerd die een onevenredig zware last aannemelijk maakten.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat de verhoging van de AOW-leeftijd een proportionele inmenging is in het eigendomsrecht en dat een onevenredig zware last per individueel geval moet worden beoordeeld. De Raad oordeelde dat de Svb terecht geen aanvullende compensatie gaf, omdat het gezinsinkomen van appellante ruim boven het sociaal minimum lag en er geen bijzondere omstandigheden waren die een onevenredig zware last aannemelijk maakten.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De verhoging van de AOW-leeftijd levert geen onevenredig zware last op voor appellante, waardoor het ouderdomspensioen terecht vanaf de hogere AOW-leeftijd is toegekend zonder verdere compensatie.