Appellante ontving sinds 2011 een ongehuwdenpensioen op grond van de AOW. In 2017 trad zij in het huwelijk met haar partner met wie zij tien jaar een latrelatie had. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag daarop haar AOW-pensioen naar gehuwd pensioen. Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening, stellende dat zij duurzaam gescheiden leeft en onvoldoende was voorgelicht over de gevolgen van het huwelijk.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat duurzaam gescheiden leven inhoudt dat echtgenoten een eigen leven leiden alsof zij niet gehuwd zijn, en dat dit ondubbelzinnig uit feiten moet blijken. De feitelijke situatie van appellante en haar echtgenoot, waaronder regelmatig contact, gezamenlijke verzorging bij ziekte, gezamenlijke vakanties en presentatie als echtpaar, toonde geen duurzaam gescheiden leven.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel en verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel. De Raad stelde dat appellante voldoende was geïnformeerd over de gevolgen van het huwelijk voor haar AOW-pensioen en dat de Svb op goede gronden het pensioen had herzien. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.