ECLI:NL:CRVB:2020:1865
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Inkomsten uit prepensioen terecht in mindering gebracht op ziekengeld
Appellant werkte laatstelijk 38 uur per week en ontving vanaf mei 2016 een prepensioen. Na beëindiging van zijn dienstverband in augustus 2016 kreeg hij een WW-uitkering, waarop het prepensioen in mindering werd gebracht. Vanaf juli 2017 meldde appellant zich ziek en kreeg ziekengeld toegekend. Het UWV bracht het prepensioen in mindering op het ziekengeld, wat appellant aanvocht.
De rechtbank oordeelde dat het prepensioen een pensioenuitkering is die volgens het Algemeen Inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) in mindering mag worden gebracht, tenzij het samenhangt met een eerder verlies van arbeidsuren. Appellant stelde dat hij in 2011 zijn uren had verminderd van 40 naar 38 per week, maar het tijdsverloop tot het prepensioen in 2016 was te lang om samenhang aan te nemen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel was onvoldoende onderbouwd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het prepensioen werd terecht in mindering gebracht, omdat de uitzondering in artikel 3:5, vijfde lid, AIB niet van toepassing is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde eveneens. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het prepensioen wordt terecht in mindering gebracht op het ziekengeld omdat geen samenhang met eerder verlies van arbeidsuren is vastgesteld.