ECLI:NL:CRVB:2024:2081
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ZW-uitkering wegens prepensioen als inkomen uit arbeid
Appellant ontving vanaf 1 april 2019 een prepensioen terwijl hij een ZW-uitkering kreeg vanaf 6 september 2019. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) bracht het prepensioen in mindering op de ZW-uitkering en vorderde het teveel betaalde bedrag terug. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de terugvordering.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het prepensioen niet als inkomen moet worden aangemerkt en dat de ZW-uitkering niet gekort mag worden, in tegenstelling tot de WW-uitkering. De Raad voor de Rechtspraak oordeelt dat de rechtbank het juiste wettelijke kader heeft toegepast en dat het prepensioen volgens het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) als inkomen uit arbeid moet worden beschouwd.
De Raad volgt het standpunt van appellant niet en bevestigt dat de ZW-uitkering, die in dit geval als voortzetting van de WW-uitkering wordt gezien, terecht is verminderd met het prepensioen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak blijft in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot terugvordering van de ZW-uitkering wegens prepensioen blijft in stand.