Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
5 augustus 2019 in mindering gebracht op de WW-uitkering van appellant.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was docent en werkte sinds 1 augustus 1989 bij een onderwijsinstelling. Vanaf eind 2016 en medio 2017 heeft hij zijn arbeidsuren verminderd met in totaal 20%. Vanaf 1 mei 2019 ontving appellant een prepensioenuitkering. Het UWV bracht dit prepensioen vanaf 5 augustus 2019 in mindering op zijn WW-uitkering, omdat volgens het UWV geen samenhang bestond tussen het arbeidsurenverlies en het prepensioen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het tijdsverloop tussen het urenverlies en het prepensioen te groot was om samenhang aan te nemen. Appellant ging hiertegen in hoger beroep en voerde aan dat het tijdsverloop niet doorslaggevend is en dat prepensioen per definitie samenhangt met minder werken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant het minder werken niet eerder dan per 25 maart 2018 kon omzetten in prepensioen vanwege zijn leeftijd en dat het tijdsverloop van 2,5 jaar niet zodanig is dat samenhang ontbreekt. De Raad vernietigde het bestreden besluit en het besluit van 16 oktober 2019, herroept het besluit van 26 september 2019 en veroordeelt het UWV tot nabetaling van de WW-uitkering met wettelijke rente en vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het UWV moet het prepensioen niet in mindering brengen op de WW-uitkering en de onterecht ingehouden bedragen met rente nabetalen.