ECLI:NL:CRVB:2020:2196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening besluit persoonsgebonden budget AWBZ
Appellant, geboren in 1990, was geïndiceerd voor zorg op grond van de AWBZ en ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor de jaren 2011 tot en met 2013. Na een onderzoek in 2017 naar de rechtmatigheid van de besteding van het pgb, wijzigde het zorgkantoor het besluit over 2013 en stelde het pgb op nihil vast, met terugvordering van € 38.750,56. Appellant maakte geen bezwaar tegen dit besluit.
Op 14 mei 2018 verzocht de vader van appellant om herziening van het besluit van 27 februari 2018. Dit verzoek werd afgewezen omdat appellant geen geldige reden had om het bezwaar niet tijdig in te dienen en geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat er wel nieuwe feiten waren en dat het besluit niet correct was verzonden, waardoor hem geen verwijt kon worden gemaakt over het niet tijdig indienen van bezwaar. De Raad oordeelde dat nieuwe feiten die pas in beroep worden ingebracht niet in aanmerking kunnen worden genomen en dat het zorgkantoor terecht het verzoek om herziening had afgewezen. Het besluit was niet evident onredelijk.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van het besluit tot vaststelling van het pgb is terecht afgewezen en het hoger beroep wordt verworpen.