ECLI:NL:CRVB:2020:2231
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens schending inlichtingenplicht bij bijstandsverlening
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd door het college een boete opgelegd wegens het niet melden van vrijelijk beschikken over gelden op de bankrekening van een derde, X. Uit onderzoek bleek dat appellante feitelijk gebruik maakte van de bankpas van X en over de tegoeden kon beschikken, wat zij niet had gemeld.
Het college trok de bijstand in en legde een boete op. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep vernietigde de Centrale Raad van Beroep het besluit over de boetehoogte. De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden, maar dat de boete te hoog was vastgesteld zonder voldoende rekening te houden met haar draagkracht.
De Raad stelde de boete vast op €301,80, rekening houdend met een beslagvrije voet van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm en normale verwijtbaarheid. Tevens veroordeelde de Raad het college in de kosten van appellante en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt verlaagd tot €301,80 en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.