ECLI:NL:CRVB:2020:2287
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening Wajong-besluit wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante diende een aanvraag in op grond van de Wajong 2010, die door het UWV werd afgewezen omdat zij naar het oordeel van het UWV in staat was meer dan 75% van het minimumloon te verdienen. Dit besluit werd gehandhaafd bij bezwaar. Later verzocht appellante om herziening van dit besluit op grond van vermeende nieuwe feiten en veranderde omstandigheden, waaronder een diagnose van niet aangeboren hersenletsel (NAH).
De rechtbank oordeelde dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. De diagnose NAH werd gezien als een andere benaming voor reeds bekende aandoeningen en voegde niets toe aan de medische situatie uit 2014. De toename van geheugenklachten trad pas na 2014 op en vormde geen grond voor herziening.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de diagnose NAH en de toename van klachten wel degelijk nieuw waren. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter de overwegingen van de rechtbank en het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen nieuwe feiten waren die herziening rechtvaardigden.
De Raad bevestigde dat het bestreden besluit niet evident onredelijk was en dat de aangevallen uitspraak gehandhaafd moest blijven. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.