ECLI:NL:CRVB:2020:2586
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering terugwerkende kracht verhoging bijstandsnorm wegens geen kostendelende medebewoner
Appellant was sinds 2009 ingeschreven op een adres met meerdere medebewoners, waaronder persoon C. Het college kende bijstand toe op basis van de kostendelersnorm, waarbij C als medebewoner werd meegeteld. Appellant verzocht later om aanpassing van de norm omdat C het adres slechts als postadres gebruikte en niet daadwerkelijk woonde. Het college wijzigde de bijstand met ingang van 1 maart 2017 naar de alleenstaandennorm, maar weigerde terugwerkende kracht tot april 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij al in april 2016 een verzoek had gedaan om C niet mee te tellen, onderbouwd met een formulier dat hij had ingediend. De Raad oordeelde dat dit formulier geen aanvraag tot verhoging van de bijstandsnorm inhield en het college betwistte de ontvangst ervan. Appellant maakte niet aannemelijk dat hij eerder dan februari 2017 een aanvraag had ingediend of het college op andere wijze had geïnformeerd.
Verder stelde appellant dat hij door verwarrende besluitvorming was afgehouden van een tijdige aanvraag. De Raad vond dat appellant voldoende gelegenheid had om het college te informeren en het verzoek tijdig in te dienen. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van terugwerkende kracht bevestigd.