Appellante had een aanvraag om bijstand ingediend die door het college werd afgewezen omdat zij niet meewerkte aan een huisbezoek. Na eerdere procedures werd het college opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Het college stelde dat appellante in de periode van 24 oktober 2014 tot en met 19 februari 2016 niet bijstandbehoevend was, omdat zij maandelijks bedragen van haar zus en stiefvader ontving die de bijstandsnorm overschreden. Appellante stelde dat deze bedragen leningen waren voor levensonderhoud met terugbetalingsverplichting.
De rechtbank oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat het om leningen ging en dat de bedragen als inkomsten moesten worden aangemerkt. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel. De Raad stelde dat voor het aannemen van leningen voor levensonderhoud concreet bewijs nodig is over de aard, omvang en terugbetalingsafspraken van de leningen. De verklaringen van de zus en het ontbreken van duidelijke afspraken waren onvoldoende.
Ook de stelling dat de bedragen van de stiefvader niet voor appellante maar voor haar moeder waren bestemd, werd verworpen. De Raad vond dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet vrij over de bedragen kon beschikken. Diverse bankafschriften toonden aan dat zij de bedragen zelf gebruikte. De Raad bevestigde daarom het besluit dat appellante geen recht had op bijstand in de betreffende periode.