Uitspraak
18.3749 WAO, 18/4564 WAO
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen tussenuitspraak;
- bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het besluit van 17 januari 2017 in stand blijven.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontvangt sinds 1996 een WAO-uitkering en werkt daarnaast als poliklinisch verpleegkundige. Met ingang van 1 juli 2015 is de systematiek gewijzigd van een uurloonvergelijking naar een periodeloonvergelijking, wat leidt tot een lagere fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse voor betrokkene en een vermindering van haar uitkering.
De rechtbank oordeelde dat de nieuwe systematiek niet in strijd is met de WAO en het nationale recht, maar dat het UWV tekort is geschoten door geen individueel feitenonderzoek te verrichten naar de financiële gevolgen voor betrokkene, wat in strijd is met de Awb. Dit leidde tot vernietiging van het besluit.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de periodeloonvergelijking past binnen de systematiek van de WAO en dat de inmenging in het eigendomsrecht gerechtvaardigd is. Wel is vastgesteld dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de individuele last voor betrokkene, waardoor het besluit terecht is vernietigd. Er is geen sprake van een onevenredig zware last, omdat betrokkene een inkomen boven het sociaal minimum had en geen definitief verlies van uitkering leed.
Het hoger beroep van het UWV wordt afgewezen en de eerdere uitspraken van de rechtbank worden bevestigd, waarbij de rechtsgevolgen van het definitieve besluit in stand blijven. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De invoering van de periodeloonvergelijking is rechtmatig, maar het UWV heeft het besluit vernietigd wegens het ontbreken van een individueel feitenonderzoek naar de onevenredige last voor betrokkene.