ECLI:NL:CRVB:2021:1395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van korting op WAO-uitkering wegens toepassing periodeloonvergelijking
Appellant ontving sinds 1991 een WAO-uitkering die met ingang van 1 juli 2016 werd gekort tot nihil als gevolg van het beëindigen van zijn dienstverband en de toekenning van een WW- en later ZW-uitkering. Het UWV paste de periodeloonvergelijking toe zoals voorgeschreven in artikel 10a van het Schattingsbesluit, wat leidde tot de korting.
Appellant voerde aan dat deze regelgeving in strijd is met hogere wetgeving en het vertrouwensbeginsel, en dat de korting een disproportionele inmenging vormt op zijn eigendomsrecht onder artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De rechtbank wees deze gronden af en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad overwoog dat de keuze voor de periodeloonvergelijking binnen de systematiek van de WAO past en wettelijk is voorzien. De inmenging in het eigendomsrecht is gerechtvaardigd en proportioneel, mede omdat appellant met zijn ZW-uitkering een inkomen ontvangt dat niet onder het sociale minimum ligt.
Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de korting op de WAO-uitkering gehandhaafd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De korting op de WAO-uitkering is terecht en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.