ECLI:NL:CRVB:2020:2766
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing kostendelersnorm en terugvordering bijstand na stopzetting studie zoon
Appellante ontvangt sinds 1996 bijstand en woonde samen met haar zoon en dochter op hetzelfde adres. Uit onderzoek bleek dat haar zoon op 28 juni 2016 was gestopt met zijn studie, waarna het college de kostendelersnorm toepaste en bijstand herzag met terugvordering van te veel betaalde bedragen en een boete oplegde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante deels gegrond en vernietigde de boetebesluiten. In hoger beroep betwistte appellante de toepassing van de kostendelersnorm en de terugvordering. De Raad oordeelde dat de zoon vanaf 28 juni 2016 niet meer als student kon worden aangemerkt, waardoor de kostendelersnorm terecht werd toegepast.
Appellante had de stopzetting van de studie niet gemeld, waarmee zij haar inlichtingenplicht schond. De stelling dat haar bewindvoerder nalatig was, leidde niet tot een ander oordeel. Ook was niet aannemelijk dat toepassing van de kostendelersnorm tot een financieel schrijnende situatie leidde of dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.
De emotionele keuze van appellante om haar zoon uit huis te plaatsen werd niet als dringende reden erkend. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af voor zover het de toepassing van de kostendelersnorm en terugvordering betreft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm en de terugvordering van bijstand wegens het niet melden van de stopzetting van de studie door de zoon.