Appellante ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp type 1, vastgesteld op een lager tarief dan de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura binnen de gemeente. Het college wees het bezwaar van appellante af, waarna de rechtbank het besluit vernietigde maar het tarief als passend beschouwde en de schadevergoeding afwees.
In hoger beroep stelde appellante dat het gehanteerde tarief onvoldoende was om professionele hulp in te huren, noodzakelijk vanwege haar beperkingen. De Raad oordeelde dat het college het pgb ten onrechte had berekend op een lager tarief dan het goedkoopst adequate tarief in de gemeente, omdat de tariefsdifferentiatie niet correct in de gemeentelijke verordening was vastgelegd.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, en voorzag zelf in de zaak door het pgb toe te kennen op basis van het juiste tarief voor de periode 24 juni 2017 tot 24 juni 2018. Tevens werd het college veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over het na te betalen bedrag en de proceskosten van appellante.