ECLI:NL:CRVB:2020:312
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepasselijkheid Nederlandse socialezekerheidswetgeving op Rijnvarende ondanks E106-verklaring
Appellant verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om toepassing van de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving op hem voor de periode 1 januari 2011 tot en met 30 april 2013, met een verzoek tot regularisatie op grond van artikel 16 van Pro Verordening 883/2004. De Svb wees dit verzoek af omdat appellant duidelijk verzekerd was in Nederland, hetgeen werd bevestigd door de rechtbank die het beroep deels gegrond verklaarde en het besluit vernietigde voor zover de Svb niet expliciet had beslist op het verzoek.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant op grond van de Rijnvarendenovereenkomst onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving viel, omdat het schip waarop hij werkte onder Nederlandse exploitatie viel. De door Luxemburg afgegeven E106-verklaring doet hieraan niet af. De Raad stelt dat het verzoek van appellant te laat en als een verzoek tot regularisatie werd opgevat, waarbij het beleid van de Svb om af te wachten tot fiscale procedures zijn afgerond niet onredelijk is.
Hoewel recente jurisprudentie mogelijk aanleiding geeft tot een andere benadering in de toekomst, acht de Raad een terughoudende rechterlijke houding passend gezien de discretionaire bevoegdheid van de Svb. Het voorwaardelijke verzoek om schadevergoeding wordt niet inhoudelijk beoordeeld omdat onduidelijk is of regularisatie zal plaatsvinden. De Centrale Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is en wijst het hoger beroep af.