ECLI:NL:CRVB:2020:317
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag bijstand wegens onduidelijkheid verblijfplaats
Appellante ontving sinds 14 januari 2014 bijstand, die op 6 oktober 2015 werd ingetrokken omdat zij geen controleerbare gegevens over haar verblijfplaats verstrekte, waardoor haar recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond, wat door de Raad werd bevestigd.
Appellante diende op 22 oktober 2016 een nieuwe aanvraag in, die het college op 25 januari 2017 afwees wegens het ontbreken van bewijs van gewijzigde omstandigheden en het niet verstrekken van controleerbare verblijfplaatsgegevens. De rechtbank verklaarde ook dit beroep ongegrond, stellende dat appellante haar situatie niet had gewijzigd en haar verblijfplaatsen niet had gemeld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar omstandigheden wel waren gewijzigd en dat bijzondere individuele omstandigheden onvoldoende waren meegewogen. De Raad oordeelde dat appellante geen nieuwe gronden had aangevoerd die de eerdere gemotiveerde afwijzing konden weerleggen en dat bij de afwijzing van de aanvraag geen ruimte was voor het meewegen van bijzondere omstandigheden.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt bevestigd wegens het ontbreken van controleerbare verblijfplaatsgegevens en het ontbreken van gewijzigde omstandigheden.