Uitspraak
18.6000 AW, 19/626 AW
15 oktober 2018, 16/7455 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, stelde dat hij arbeidsongeschikt is geworden door buitensporige werkomstandigheden, waaronder pesterijen door OR-leden. Hij vorderde vergoeding van restschade wegens schending van de zorgplicht door het college.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant het oorzakelijk verband tussen de werkomstandigheden en zijn arbeidsongeschiktheid niet aannemelijk had gemaakt. De medische rapporten waren gebaseerd op subjectieve beleving en onvoldoende objectief.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat de werkomstandigheden niet objectief een buitensporig karakter droegen. Spanningen binnen de organisatie en de stijl van leidinggeven van appellant waren onvoldoende om te concluderen dat het college tekortgeschoten was in zijn zorgplicht.
De Raad stelde vast dat appellant onvoldoende concreet en objectief had onderbouwd welke voorvallen psychisch ziekmakend waren. Het hoger beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd wegens onvoldoende aannemelijkheid van buitensporige werkomstandigheden en schending zorgplicht.