ECLI:NL:CRVB:2020:3421
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde bijschrijvingen en kasstortingen
Appellant ontving vanaf oktober 2014 bijstand en verrichtte werkzaamheden in een café. Uit onderzoek bleek dat er tussen oktober 2014 en december 2016 veelvuldig kasstortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening plaatsvonden die niet waren gemeld aan het college. Het college herzag de bijstand en vorderde te veel betaalde bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat deze stortingen als inkomen moesten worden aangemerkt en dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de stortingen deels bestonden uit eerder opgenomen bedragen en leningen van derden, en dat het college bekend was met de stortingen, waardoor het vertrouwensbeginsel zou gelden. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende controleerbare gegevens had overlegd om de herkomst van de stortingen aannemelijk te maken. Ook was niet gebleken dat het college toezeggingen had gedaan waarop appellant redelijkerwijs mocht vertrouwen.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand bevestigd.