ECLI:NL:CRVB:2020:3488
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en zorgvuldigheid medisch onderzoek in WIA-uitkering
Appellant, voormalig chauffeur, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en ontving een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 47,66%. Na bezwaar en beroep handhaafde het UWV deze beoordeling, waarop appellant beroep instelde bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad toetste de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en concludeerde dat de verzekeringsartsen appellant hebben onderzocht, relevante medische informatie van behandelaren en instellingen hebben betrokken, en dat het ontbreken van lichamelijk onderzoek niet onzorgvuldig was. Ook was er geen sprake van schending van het equality of arms-beginsel, aangezien appellant voldoende gelegenheid had om zijn standpunten met medische stukken te onderbouwen.
Inhoudelijk vond de Raad geen aanleiding om de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst te wijzigen, ook niet naar aanleiding van psychische klachten, chronische pijnklachten en cardiologische aandoeningen die na de datum in geding werden vastgesteld. De arbeidskundige beoordeling werd eveneens bevestigd, waarbij de functies als passend werden aangemerkt ondanks enkele bezwaren van appellant.
De Raad wees het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige af en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van 47,66% is terecht vastgesteld en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.