ECLI:NL:CRVB:2020:3518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onvoorwaardelijk ontslag wegens integriteitsschending en plichtsverzuim
Appellant was sinds 2006 werkzaam bij de gemeente Amsterdam en werd in 2016 geschorst vanwege een vermoeden van integriteitsschending. Een onderzoek bracht aan het licht dat appellant van meerdere collega’s grote geldbedragen had aangenomen onder het voorwendsel van beleggingen, zonder rendement uit te keren en zonder terugbetaling ondanks herhaalde verzoeken.
Het college verleende appellant onvoorwaardelijk ontslag wegens plichtsverzuim en integriteitsschending. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij vooral het niet terugbetalen van het geld en het onder druk zetten van collega’s met privégegevens als ernstig werd aangemerkt.
In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe, verifieerbare feiten aangevoerd en bleef hij onduidelijk over de vermeende beleggingen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de gedragingen ernstig en toerekenbaar plichtsverzuim vormen, waardoor het ontslag gerechtvaardigd is.
Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van het college werd niet behandeld omdat het hoger beroep van appellant faalde. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het ontslagbesluit en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het onvoorwaardelijk ontslag van appellant wegens ernstige integriteitsschendingen wordt bevestigd.