ECLI:NL:CRVB:2020:3523

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2020
Publicatiedatum
6 januari 2021
Zaaknummer
19/2517 WMO15-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij maatwerkvoorziening hulp bij huishouden

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gouda inzake de ingangsdatum van een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden, verstrekt als persoonsgebonden budget. Het college stelde de ingangsdatum vast op 25 september 2017, terwijl appellant een eerdere datum van 31 augustus 2017 nastreefde.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen procesbelang had bij het hoger beroep omdat het geschil betrekking had op een reeds verstreken periode en niet aannemelijk was dat appellant schade had geleden of dat het oordeel van belang kon zijn voor de toekomst.

Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De beslissing werd op 16 december 2020 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

19.2517 WMO15-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 april 20189, 18/4702 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Gouda (college)
Datum uitspraak: 16 december 2020
Zitting hebben: L.M. Tobé als voorzitter en D.S. de Vries (via beeldbellen) en D. Hardonk‑Prins als leden
Griffier: A.A.H. Ibrahim
Ter zitting is namens appellant mr. R.G. van den Heuvel verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Holthuijsen

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is ter zitting van 16 december 2020 uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Bij besluit van 22 november 2017 heeft het college aan appellant een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden verstrekt naar een omvang van anderhalf uur per week voor de periode van 26 oktober 2017 tot en met 29 april 2018, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).
2. Bij besluit van 26 juni 2018 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 22 november 2017 gegrond verklaard voor wat betreft de ingangsdatum en deze vastgesteld op 25 september 2017.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en kort samengevat aangevoerd dat de ingangsdatum moet worden bepaald op 31 augustus 2017. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant ter zitting verklaard dat appellant voor de verstrekte huishoudelijke hulp geen rekeningen heeft ontvangen of kosten heeft gemaakt vóór de door het college gehanteerde ingangsdatum.
5. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van de Raad van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een reeds verstreken periode, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
6. De Raad is van oordeel dat appellant geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Hiervoor is van belang dat het geschil een beoordeling betreft over een al verstreken periode en niet is gebleken dat een oordeel nog van belang kan zijn voor de toekomst. Verder is met wat appellant naar voren heeft gebracht op voorhand onaannemelijk dat schade is geleden.
7. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) A.A.H. Ibrahim (getekend) L.M. Tobé