ECLI:NL:CRVB:2020:441
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op aanvullende bijstand wegens juiste verrekening loonheffingskorting
Appellant ontvangt sinds september 2016 bijstand op grond van de Participatiewet. In 2016 heeft appellant verschillende perioden in loondienst gewerkt. Het college heeft over de verstrekte bijstand loonheffingen ingehouden, waarbij uitgegaan is van een loonheffingskorting van €186,83 per maand. De definitieve aanslag inkomstenbelasting 2016 stelde de algemene heffingskorting echter lager vast op €1.591,- per jaar.
Appellant stelt dat het college ten onrechte alleen de fase-1 berekening van de loonheffingskorting heeft toegepast en daardoor minder bijstand heeft ontvangen dan de norm. De Raad oordeelt dat appellant steeds de bijstandsnorm heeft ontvangen en dat de belastingteruggave, die verrekend wordt met de bijstand, lager is door de lagere heffingskorting.
De belastingteruggave wordt als middel aangemerkt en moet worden toegerekend aan de periode waarop deze betrekking heeft. Hierdoor heeft appellant per saldo geen nadeel geleden en ontbreekt het aan een procesbelang. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen nadeel heeft geleden door de juiste verrekening van loonheffingskorting en belastingteruggave.