ECLI:NL:CRVB:2020:452
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek regularisatieovereenkomst Rijnvarende over 2007
Appellant verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om een regularisatieovereenkomst te sluiten zodat hij over 2007 uitsluitend verzekerd zou zijn voor de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving, omdat hij toen werkte op een motortankschip met premies in Luxemburg. De Svb wees dit verzoek af omdat de exploitant van het schip in Nederland was gevestigd en appellant op grond van correspondentie van de Nederlandse Belastingdienst sinds 2006 rekening moest houden met Nederlandse verzekeringsplicht.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar veroordeelde de Svb en Staat tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en het bestreden besluit.
De Raad oordeelt dat het Rijnvarendenverdrag van toepassing is en dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving terecht van toepassing is verklaard. De afgifte van een E101-verklaring door Luxemburg leidt niet tot een andere beoordeling. De Svb heeft discretionaire bevoegdheid om verzoeken om regularisatie over verstreken jaren af te wijzen indien er geen bijzondere omstandigheden zijn.
De brief van de Belastingdienst van 12 december 2006 maakte duidelijk dat appellant verzekerd zou worden geacht in Nederland. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die een regularisatieprocedure over 2007 rechtvaardigen. Hoewel de Svb het besluit in eerste aanleg onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, is dit gebrek gepasseerd omdat het geen nadeel opleverde.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De Svb wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht in hoger beroep.
Uitkomst: Het verzoek om regularisatie over 2007 wordt afgewezen en het bestreden besluit blijft in stand.