ECLI:NL:CRVB:2020:501
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld na medisch onderzoek bij verslavingsproblematiek en lichamelijke klachten
Appellant, werkzaam als vrachtwagenchauffeur via een uitzendbureau dat eigenrisicodrager is voor de Ziektewet, meldde zich ziek met spijsverterings- en spanningsklachten en verslavingsproblematiek. Na een medisch onderzoek door een bedrijfsarts en een verzekeringsarts werd appellant per 28 september 2016 geschikt geacht voor zijn eigen arbeid, waarna het Uwv het ziekengeld beëindigde.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn verslaving en lichamelijke klachten hem ongeschikt maakten voor arbeid. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en onderschreef het medisch oordeel dat appellant geschikt was. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn verslaving een ziekte of gebrek vormde en dat hij reeds op de datum in geding klinische opname nodig had, wat niet werd erkend.
De Raad volgde de rechtbank en verzekeringsarts: een verslaving op zich is geen ziekte of gebrek, en er was geen bewijs dat de verslaving gebreken veroorzaakte op de datum in geding. De lichamelijke klachten waren kortdurend en adequaat behandelbaar. Er was geen aanleiding tot benoeming van een deskundige. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld blijft gehandhaafd.