ECLI:NL:CRVB:2020:693
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens schending inlichtingenplicht bij verblijf in buitenland
Appellant ontving sinds 2007 een WIA-uitkering, maar woonde vanaf 2011 in Tanzania, wat hij niet tijdig aan het Uwv meldde. Na een anonieme melding onderzocht het Uwv de situatie en trok de uitkering met terugwerkende kracht in. Tevens legde het Uwv een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
Appellant maakte bezwaar tegen de boete en voerde onder meer psychische klachten en het feit aan dat zijn ex-werkgever eigen risicodrager was, waardoor hij ervan uitging dat melding via de werkgever voldoende was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Centrale Raad oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat de psychische problematiek onvoldoende was onderbouwd om verwijtbaarheid uit te sluiten. De Raad hield rekening met verminderde verwijtbaarheid en draagkracht bij de boeteoplegging, maar bevestigde het bestreden besluit. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.