ECLI:NL:CRVB:2020:76
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling medische afzakker bij weigering voortzetting WAO-uitkering
Appellante viel in 1990 uit vanwege lichamelijke en psychische klachten en ontving sindsdien een WAO-uitkering. Na herstel en het volgen van opleidingen werkte zij als receptioniste. In 2016 trad zij in dienst bij een stichting met een hoger loon dan haar maatmanloon, waarop het UWV haar WAO-uitkering stopzette.
Appellante stelde dat zij als medische afzakker moest worden aangemerkt, wat betekent dat zij om medische redenen lager betaald werk is gaan doen zonder zich ziek te melden. De rechtbank verwierp dit omdat appellante geen medische onderbouwing leverde.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad het beoordelingskader en oordeelde dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij om medische redenen lager betaald werk heeft aanvaard of minder uren is gaan werken. De Raad concludeerde dat appellante geen medische afzakker is en bevestigde het besluit van het UWV dat de WAO-uitkering terecht is stopgezet.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot stopzetting van de WAO-uitkering wordt bevestigd.