Uitspraak
22 september 2017, 16/1593, 16/3137, 17/652 en 17/569 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand sinds 1997 en werd vanaf 2015 getoetst op bezit van onroerend goed in Turkije. Uit onderzoek bleek dat zij een appartement bezat dat niet was gemeld, wat leidde tot intrekking van haar bijstand per 9 november 2015 en afwijzing van daaropvolgende aanvragen.
Het college van burgemeester en wethouders van Venlo baseerde de besluiten op het feit dat de waarde van het onroerend goed boven de vermogensgrens lag en dat appellante onvoldoende bewijs leverde van overdracht aan haar moeder. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek discriminerend was en dat het appartement niet haar eigendom was.
De Raad verwierp het discriminatieverweer en oordeelde dat het eigendom van het appartement op naam van appellante stond, waardoor het als haar vermogen moest worden aangemerkt. De enkele stelling dat het appartement van haar moeder was, was onvoldoende onderbouwd. De Raad bevestigde daarom het bestreden vonnis en de intrekking van de bijstand en afwijzing van de aanvragen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en afwijzing van nieuwe aanvragen worden bevestigd wegens niet-melding van onroerend goed en onvoldoende bewijs van overdracht.