ECLI:NL:CRVB:2020:886
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij laattijdige WAZ-uitkeringsaanvraag wegens onvoldoende medische gegevens
Verzoeker diende in december 2018 een aanvraag in voor een WAZ-uitkering met het beroep op arbeidsongeschiktheid vanaf augustus 1998. Het Uwv wees de aanvraag af op basis van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep die concludeerde dat onvoldoende medische gegevens beschikbaar waren om een onafgebroken arbeidsongeschiktheid van 52 weken aan te tonen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verzoeker ging in hoger beroep en vroeg om een voorschot op de uitkering wegens spoedeisend financieel belang, onder meer vanwege een dreigende ontruiming.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de laattijdige aanvraag een retrospectieve beoordeling vereist waarbij het risico van onvoldoende medische gegevens voor rekening van verzoeker komt. De verzekeringsarts had alle beschikbare informatie zorgvuldig bestudeerd en geen medische grondslag gevonden voor de gestelde arbeidsongeschiktheid. Een persoonlijk onderzoek werd niet noodzakelijk geacht.
De voorzieningenrechter achtte het financiële belang spoedeisend maar vond geen redelijke kans dat de aangevallen uitspraak in stand zou worden betwijfeld. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verzoeker werd vrijgesteld van griffierecht wegens gebrek aan inkomsten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende medische onderbouwing bij laattijdige WAZ-aanvraag.