ECLI:NL:CRVB:2020:941
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet melden erfenis en schadevergoeding
Appellant ontving sinds 1992 bijstand en werd medio 2009 onderzocht vanwege vermoedens van fraude en niet gemelde inkomsten, waaronder een erfenis en een schadevergoeding van €35.000. Het college trok de bijstand per 1 april 2012 in wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij niet over de erfenis en onroerende zaken kon beschikken en dat de schadevergoeding bestemd was voor zijn dochter, die het bedrag contant van hem had ontvangen. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een bredere periode beoordeelde dan relevant was en beperkte de beoordeling tot de periode van het intrekkingsbesluit.
De Raad concludeerde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat hij de schadevergoeding op zijn rekening had ontvangen en contant had opgenomen. De verklaring van de dochter was onvoldoende onderbouwd om aan te tonen dat appellant niet meer over het bedrag kon beschikken. Daarom kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld en werd het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd vanwege schending van de inlichtingenplicht over de ontvangen schadevergoeding.