Appellante, geboren in 1990, diende een Wajong-aanvraag in na een verkeersongeval in 2011, welke aanvankelijk werd afgewezen omdat zij naar oordeel van het UWV meer dan 75% van het maatmaninkomen kon verdienen ondanks haar rugklachten.
Een tweede aanvraag en verzoek tot heroverweging werd eveneens afgewezen, waarbij het UWV concludeerde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren. Psychische klachten werden pas later vastgesteld, na de wachttijd van 52 weken.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dit onterecht was. De Raad volgde het UWV in zijn standpunt dat de psychische klachten pas na de wachttijd ontstonden en dat er geen aanleiding was om het eerdere besluit te herzien.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.