Appellant ontving vanaf april 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering en werkte vanaf mei 2012 bij zijn ex-werkgever. In oktober 2017 meldde de ex-werkgever een nabetaling van loon over mei 2012 tot december 2015, waarna het UWV de WIA-uitkering over deze periode herzag en terugvorderde.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond, stellende dat appellant redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van mogelijke looncorrecties. In hoger beroep betoogde appellant dat hij pas op 22 december 2015 door de ex-werkgever werd geïnformeerd over de nabetaling, waardoor eerdere herziening en terugvordering onrechtmatig was.
De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant vóór deze datum redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel uitkering ontving. Correspondentie uit 2011-2012 betrof loon tot mei 2012 en niet de periode daarna. De e-mail van 22 december 2015 was het eerste duidelijke moment van kennisgeving.
Daarom was de herziening en terugvordering met terugwerkende kracht in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en de beleidsregels. De Raad vernietigde het bestreden besluit en herroept de primaire besluiten van oktober 2017. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding toegewezen en het UWV veroordeeld in proceskosten.