Appellante was werkzaam als verzorgende IG en meldde zich ziek met bekkenklachten. In het kader van een WIA-aanvraag werd zij op basis van een geplande operatie op 22 maart 2016 volledig arbeidsongeschikt geacht en kreeg zij een WGA-uitkering toegekend per 4 maart 2016. Appellante zag echter af van de operatie, maar meldde dit niet tijdig aan het UWV. Na herbeoordeling stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was, waardoor zij geen recht had op een WIA-uitkering. Het UWV herzag het besluit en vorderde de te veel betaalde uitkering terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij haar inlichtingenplicht had geschonden door het uitstel van de operatie niet onverwijld te melden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet duidelijk was geïnformeerd over haar meldingsplicht en dat zij nieuwe medische informatie had ingediend, maar de Raad volgde dit niet. De Raad onderschreef de eerdere beoordeling dat de mate van arbeidsongeschiktheid correct was vastgesteld en dat het UWV terecht de uitkering met terugwerkende kracht mocht herzien.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan op 21 november 2019 door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.