ECLI:NL:CRVB:2021:1067
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderbijslagaanvraag wegens ontbreken ingezetenschap Nederland vanaf 2018
Appellant, geboren in 1945, woonde vanaf zijn 24e tot medio 2014 in Nederland en keerde daarna terug naar Marokko. Hij vroeg kinderbijslag aan voor zijn kleinkinderen waarvoor hij voogdij heeft sinds februari 2019. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af met terugwerkende kracht vanaf het eerste kwartaal van 2018 omdat appellant niet als ingezetene van Nederland werd beschouwd.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de duurzame persoonlijke band met Nederland sinds zijn vertrek in 2014 was verbroken. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij weliswaar in Marokko woont, maar nog steeds ingezetene is vanwege zijn Nederlandse nationaliteit, AOW-uitkering, familiebanden en het voornemen terug te keren.
De Raad oordeelde dat appellant vanaf 1 januari 2018 geen woonplaats in Nederland had en dat de omstandigheden onvoldoende waren om een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland aan te nemen. Het feit dat appellant enkele maanden per jaar bij zijn dochter verblijft, was niet aannemelijk gemaakt. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Appellant wordt niet als ingezetene van Nederland beschouwd vanaf 1 januari 2018 en de kinderbijslagaanvraag wordt afgewezen.