Appellant diende op 17 april 2015 een aanvraag in voor een WW-uitkering met als laatste werkgever de Amerikaanse ambassade, maar het UWV weigerde deze omdat appellant in de Verenigde Staten werkte, een land zonder sociaal zekerheidsverdrag met Nederland. Een tweede aanvraag op 2 juni 2016 werd eveneens afgewezen omdat appellant geen loon zou hebben ontvangen. Appellant stelde dat hij als butler en chauffeur loon ontving en maakte bezwaar tegen het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde het UWV vast dat appellant wel verzekerd was op grond van de WW en dat het eerdere besluit op een onjuiste grondslag berustte. Het UWV besloot het WW-recht uit te betalen vanaf de datum van de tweede aanvraag, met een vermindering van 23,55 uur per week wegens werkzaamheden als zelfstandige.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht terugkwam op het eerdere besluit, dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die de aanvraag van 2 juni 2016 rechtvaardigden, en dat de vermindering van uren als zelfstandige terecht was gebaseerd op de zelfstandigenaftrek die appellant had geclaimd. Het beroep tegen het gewijzigde besluit werd ongegrond verklaard, het eerdere besluit vernietigd en het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.