ECLI:NL:CRVB:2021:1212
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens ontbreken duurzaam gescheiden leven en rekening houden met inkomen partner
Appellant ontving bijstand als alleenstaande maar trouwde in 2017 met een partner die in Engeland woont en werkt. Het college stelde dat appellant niet duurzaam gescheiden leefde en hield bij de bijstand rekening met het inkomen van zijn echtgenote, wat leidde tot intrekking van de bijstand.
Appellant voerde aan dat hij en zijn echtgenote duurzaam gescheiden leefden omdat zij nooit samenwoonden en geen gezamenlijke financiële verantwoordelijkheid hadden, mede ondersteund door huwelijkse voorwaarden. Ook stelde hij dat het feit dat hij geen permanente verblijfsvergunning had om bij zijn echtgenote in Engeland te wonen, een beletsel vormde voor samenwoning.
De Raad oordeelde dat duurzaam gescheiden leven slechts aangenomen kan worden bij ondubbelzinnige feiten en omstandigheden en dat het niet samenwonen alleen onvoldoende is. Appellant had niet aannemelijk gemaakt dat de wil tot voortzetting van het huwelijk ontbrak of dat er een blijvend beletsel was voor echtelijke samenleving. De onderhoudsplicht uit het Burgerlijk Wetboek prevaleert boven huwelijkse voorwaarden. Het college had terecht het inkomen van de partner meegerekend en geen aanleiding gezien voor afstemming van bijstand op grond van artikel 18 PW Pro.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven en het inkomen van de partner terecht is meegerekend.