ECLI:NL:CRVB:2021:1258
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen ingezetenschap en geen recht op kinderbijslag volgens AKW
Appellante, met de Surinaamse nationaliteit en voormalig Nederlands staatsburger, keerde in juli 2018 met haar jongste kind terug naar Nederland en vroeg kinderbijslag aan voor het vierde kwartaal van 2018 en eerste kwartaal van 2019. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellante op de peildata niet als ingezetene van Nederland werd beschouwd. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij als ingezetene moest worden aangemerkt vanwege haar eerdere langdurige verblijf in Nederland, haar verblijfsrecht, de Nederlandse nationaliteit van haar kinderen en hun schoolbezoek in Nederland. De Raad toetste dit aan de criteria voor ingezetenschap volgens de AKW en relevante jurisprudentie van de Hoge Raad.
De Raad concludeerde dat appellante op de peildata nog geen duurzame persoonlijke band met Nederland had. De korte verblijfsduur, het ontbreken van een eigen woning, het ontbreken van werk en het feit dat het verblijfsdocument pas in maart 2019 werd verstrekt, waren doorslaggevend. De situatie van appellante verschilde wezenlijk van eerdere vergelijkbare uitspraken. Daarom werd het bestreden besluit bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Appellante was op de peildata geen ingezetene van Nederland en had daarom geen recht op kinderbijslag volgens de AKW.