ECLI:NL:CRVB:2021:1264
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rentevaststelling studielening en geen inbreuk op eigendomsrecht
Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van de rente over zijn studielening, omdat een wetswijziging het mogelijk voordeel van negatieve rente wegnam. Hij stelde dat dit een inbreuk was op zijn eigendomsrecht zoals beschermd door artikel 1 van Pro het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, stellende dat de rente over de lening geen eigendom in de zin van artikel 1 EP Pro vormt.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de wetswijziging buiten toepassing moest blijven vanwege schending van het eigendomsrecht en ongeschreven rechtsbeginselen, waaronder het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. De Raad overwoog dat het begrip eigendom in artikel 1 EP Pro autonoom en ruim moet worden uitgelegd, maar dat er geen bestaand recht op negatieve rente bestond ten tijde van de wetswijziging. Een hoop op toekomstig inkomen is onvoldoende voor bescherming onder artikel 1 EP Pro.
De Raad stelde dat de wetswijziging, die de rente op nul stelde indien deze negatief zou zijn, geen inbreuk maakte op een bestaand eigendomsrecht. Er was geen legitieme verwachting dat appellant rente zou ontvangen in plaats van betalen. Ook was geen sprake van bijzondere omstandigheden die toetsing aan algemene rechtsbeginselen rechtvaardigden. De aangevallen uitspraak werd bevestigd met enige verbetering en aanvulling van de motivering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rentevaststelling en oordeelt dat er geen inbreuk is op het eigendomsrecht van appellant.