ECLI:NL:CRVB:2021:1299
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen privaatrechtelijke dienstbetrekking en correcte dagloonberekening WIA-uitkering
Appellante voerde aan dat zij als werknemer in dienst was bij [naam B.V. 3] en dat haar inkomsten daarom bij de berekening van het WIA-dagloon betrokken moesten worden. Zij stelde dat de samenwerkingsovereenkomst feitelijk een arbeidsovereenkomst was, mede vanwege een gezagsverhouding en vaste vergoeding. Ook betoogde zij dat zij als starter/herintreder moest worden aangemerkt en dat het dagloon gebaseerd diende te worden op het loon bij haar laatste dienstbetrekking.
De Raad oordeelde dat appellante haar beroep op het starter/herintredercriterium expliciet had prijsgegeven, waardoor dit niet in hoger beroep kon worden aangevoerd. Vervolgens werd vastgesteld dat de samenwerkingsovereenkomst kenmerken van een overeenkomst van opdracht vertoonde, waaronder facturering via haar eenmanszaak en geen inhouding van loonheffing. Hoewel er sprake was van enig gezag, voldeed dit niet aan de criteria voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat appellante niet verzekerd was op grond van artikel 5 van Pro de Ziektewet en dat de wettelijke referteperiode voor de dagloonberekening bindend was. Het verzoek om het dagloon te baseren op het loon bij [naam B.V. 4] werd afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.