ECLI:NL:CRVB:2021:1365
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek kwijtschelding terugvordering bijstandsleningen Bbz 2004
Appellanten ontvingen vanaf 2010 algemene bijstand als renteloze lening op grond van het Bbz 2004 en beëindigden hun zelfstandige werkzaamheden in 2012. Het college vorderde in 2013 twee bedragen terug, die in eerdere uitspraken in rechte waren vastgesteld. Appellanten verzochten in 2018 om kwijtschelding van deze vorderingen, maar het college wees dit af wegens het ontbreken van dringende redenen en niet voldoen aan beleidsregels.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat zij geen aflossingscapaciteit hadden en vanwege leeftijd en gezondheidsproblemen niet in staat waren toekomstige betalingen te verrichten. De Raad oordeelde dat het college terecht had geoordeeld dat appellanten niet voldeden aan de voorwaarden voor kwijtschelding volgens de Beleidsregels 2004 en 2018.
De Raad benadrukte dat de hoogte van de vorderingen in eerdere uitspraken was vastgesteld en niet ter discussie stond. Verder werd erkend dat appellanten sinds 2021 via verrekening aflossen, waardoor geen dringende reden tot kwijtschelding bestond. Ten aanzien van de tweede vordering was niet voldaan aan de termijnvereisten voor kwijtschelding. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding van de terugvorderingen wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.