ECLI:NL:CRVB:2021:14
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering van onterecht betaalde Wajong-uitkering bevestigd
Appellant ontving sinds 2001 een Wajong-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Vanaf 2012 werd de uitkering niet meer uitbetaald vanwege inkomsten uit een WSW-dienstverband. In 2015 startte het UWV met voorschotbetalingen van de Wajong-uitkering. In januari 2017 ontving appellant een nabetaling van € 6.663,82 bruto over de periode 1 november 2015 tot en met 31 oktober 2016.
Het UWV stelde later vast dat deze nabetaling onterecht was en besloot tot terugvordering. Appellant maakte bezwaar, waarna het terug te betalen bedrag werd verlaagd naar € 5.000. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het hem redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de nabetaling niet terecht was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij erop mocht vertrouwen dat de nabetaling juist was, mede vanwege een bevestiging door een HRM-adviseur van zijn werkgever.
De Raad concludeerde dat het UWV het beleid consistent had toegepast en dat de nabetaling onjuist was vanwege de hoogte van de inkomsten die meer dan 75% van het maatmaninkomen bedroegen. De Raad vond geen dringende redenen om af te zien van herziening en terugvordering en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Wajong-uitkering onterecht was nabetalend en dat het UWV deze met terugwerkende kracht mocht herzien en terugvorderen.