ECLI:NL:CRVB:2021:1459
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag ambtenaar wegens verstoorde arbeidsverhouding zonder aanvullende WW-uitkering
Appellante was sinds 1981 in dienst bij de gemeente en vervulde een functie met twee onderdelen die conflicterende belangen kenden. Na een reeks conflicten, ziekteverzuim en mediationpogingen werd haar functie formeel opgeheven en werd zij herplaatsingskandidaat. Het college verleende haar ontslag wegens een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding, waarbij ook het recht op aanvullende en na-wettelijke werkloosheidsuitkeringen werd onthouden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de verstoorde verhouding niet beperkt was tot één persoon, maar de gehele gemeente betrof, waardoor voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het college kon worden verlangd. Herplaatsing was niet mogelijk en appellante ambieerde zelf geen terugkeer meer.
De Raad overwoog dat het recht op aanvullende WW-uitkeringen gekoppeld is aan het daadwerkelijk ontvangen van een WW-uitkering, wat in deze zaak niet het geval was vanwege ziekte en toekenning van een WIA-uitkering. Hierdoor was het onthouden van deze uitkeringen niet onjuist, los van de vraag wie schuld had aan het ontslag. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag van appellante wegens een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding wordt bevestigd zonder toekenning van aanvullende WW-uitkeringen.