ECLI:NL:CRVB:2021:1484
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak inzake onredelijk late feitelijke verstrekking kerstcadeau zonder dwangsom
Appellante maakte bezwaar tegen het niet tijdig feitelijk verstrekken van het kerstcadeau van 2017, een VVV-bon van €50,-, en stelde de minister in gebreke. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het cadeau inmiddels was ontvangen. Appellante stelde beroep in tegen het niet tijdig verstrekken en vorderde vaststelling van een dwangsom.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de minister tijdig had beslist met de toezegging het cadeau te verstrekken en dat de feitelijke verstrekking een eigen verantwoordelijkheid van appellante was. In hoger beroep betoogde appellante dat de minister onrechtmatig te laat was en een dwangsom verschuldigd was.
De Raad oordeelt dat de feitelijke verstrekking inderdaad onredelijk laat was, maar dat de wettelijke regeling voor dwangsommen niet van toepassing is op deze feitelijke handeling. De schakelbepaling van de Awb beperkt de toepasselijkheid van hoofdstukken 6 en 7, terwijl de dwangsomregeling in hoofdstuk 4 is opgenomen. Daarom is geen dwangsom verschuldigd.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen; minister is geen dwangsom verschuldigd ondanks onredelijke late verstrekking kerstcadeau.