ECLI:NL:CRVB:2021:1502
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WIA-uitkering wegens werkzaamheden tijdens Ziektewetperiode
Appellant was sinds mei 2013 ziek gemeld en ontving een Ziektewetuitkering, gevolgd door een WIA-uitkering vanaf mei 2015. Na anonieme meldingen onderzocht het UWV of appellant tijdens zijn Ziektewetperiode werkzaamheden had verricht. Uit het onderzoek, waaronder het Rapport Werknemersfraude "Arizona", bleek dat appellant van mei 2013 tot mei 2015 zijn eigen werk als personeelsmanager uitzendkrachten bleef verrichten.
Het UWV trok daarop de WIA-uitkering met terugwerkende kracht in en vorderde de te veel betaalde bedragen terug. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Appellant stelde in hoger beroep dat het niet vereist is dat een Ziektewetuitkering is toegekend voordat recht op WIA ontstaat, en dat hij medisch gezien wel 104 weken arbeidsongeschikt was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door zijn werkzaamheden niet te melden, waardoor het UWV terecht de uitkering herzag en introk. Medische en arbeidskundige rapporten bevestigden dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk en de wachttijd niet had voltooid. De terugwerkende intrekking en terugvordering waren niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering worden bevestigd omdat appellant tijdens de Ziektewetperiode werkzaamheden verrichtte en de wachttijd niet voltooide.