ECLI:NL:CRVB:2021:1537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en boete wegens niet gemelde autotransacties
Appellant ontving bijstand sinds 2012 en had tussen november 2012 en maart 2017 achttien kentekens op zijn naam, waarvan de meeste korter dan drie maanden. Het college herzag de bijstand en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht omdat appellant deze registraties niet had gemeld.
Appellant voerde aan niet te weten dat kortdurende autotransacties gemeld moesten worden en betoogde dat hij recht had op bijstand in de betrokken maanden. Ook stelde hij dat het vertrouwensbeginsel was geschonden omdat het college al in 2013 op de hoogte was van vier kentekens, maar niet handelde.
De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat het redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de autotransacties relevant waren. Er was onvoldoende bewijs om het recht op bijstand vast te stellen vanwege het ontbreken van financiële gegevens. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellant pas in bezwaar kennis nam van de rapportage uit 2013. De boete werd als evenredig beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking, terugvordering en boete worden bevestigd.