ECLI:NL:CRVB:2021:160

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2021
Publicatiedatum
27 januari 2021
Zaaknummer
19/391 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 3.2.2 Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2018Art. 3.2.3 Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2018Art. 1.3 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2018Art. 4:84 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing maatwerkvoorziening douchecabine als algemeen gebruikelijke voorziening

Appellante, woonachtig in een huurwoning, vroeg het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om een maatwerkvoorziening in de vorm van een douchecabine vanwege fysieke en psychische klachten. Het college wees de aanvraag af omdat een douchecabine een algemeen gebruikelijke voorziening is die in de reguliere handel verkrijgbaar is en betaalbaar behoort te zijn voor iemand met een bijstandsuitkering.

Appellante maakte bezwaar en stelde onder meer dat de kosten hoger waren dan geraamd en dat zij niet hoefde aan te tonen dat zij de voorziening niet kon betalen. Ook verwees zij naar een betalingsregeling en een verslechtering van haar klachten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.

De Raad overwoog dat het college het buitenwettelijke begunstigende beleid consistent heeft toegepast en dat het aan de cliënt is om aannemelijk te maken dat een algemeen gebruikelijke voorziening niet tot zijn financiële mogelijkheden behoort. Appellante heeft dit niet voldoende onderbouwd. Ook was er geen sprake van een plotseling optredende onvoorziene noodzaak die een uitzondering zou rechtvaardigen.

Daarmee is het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De aanvraag voor een maatwerkvoorziening voor een douchecabine wordt afgewezen omdat deze als algemeen gebruikelijke voorziening geldt en appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij deze niet kan betalen.

Uitspraak

19 391 WMO15

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Datum uitspraak: 27 januari 2021
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
20 december 2018, 18/3206 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2020, gedeeltelijk via beeldbellen. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. van den Buijs.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is woonachtig in een huurwoning. In de natte cel is een douche op afschot. Appellante heeft wegens fysieke en psychische klachten bij het college een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) bestaande uit een douchecabine.
1.2.
Bij besluit van 3 januari 2018 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen omdat een douchecabine een algemeen gebruikelijke voorziening is.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 14 mei 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 januari 2018 ongegrond verklaard, onder verwijzing naar onder meer de artikelen 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015, 3.2.2, tweede lid en 3.2.3, eerste lid, onder a, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018 (Verordening) en de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018 (Beleidsregels). De douchecabine is niet speciaal bedoeld voor mensen met een beperking, is in de reguliere handel verkrijgbaar en kost ongeveer € 190,-. Appellante heeft een bijstandsuitkering en geen schulden of leningen, waardoor het zelf aanschaffen van de douchecabine tot de financiële mogelijkheden zou moeten behoren. Appellante heeft haar stelling dat zij geen financiële ruimte heeft niet onderbouwd met bewijsstukken. Het college is ook niet gebleken van een plotselinge onvoorziene noodzaak voor de aanschaf van een douchecabine.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Kort samengevat heeft zij gesteld dat de kosten voor de douchecabine, inclusief plaatsing, hoger zijn dan € 190,-. Verder is het niet aan appellante om aannemelijk te maken dat een in beginsel algemeen gebruikelijke voorziening niet tot haar financiële mogelijkheden behoort. Appellante heeft in hoger beroep verwezen naar een e-mail van 11 oktober 2018 waarin melding wordt gemaakt van een sinds oktober 2012 bestaande betalingsregeling van € 10,- per maand. Ten slotte zijn haar klachten op enig moment verergerd, waardoor er wel degelijk een acute onvoorziene situatie is ontstaan.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 was ten tijde van belang bepaald dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.
4.2.
Artikel 3.2.2 van de Verordening bevat algemene criteria voor een maatwerkvoorziening.
Artikel 3.2.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening luidt:
“In aanvulling op artikel 3.2.2 hanteert het college voor een maatwerkvoorziening, voor zover relevant, de volgende criteria:
a. er is sprake van kosten of voorzieningen die, gelet op de situatie van de cliënt, niet algemeen gebruikelijk zijn;”
4.3.
In artikel 1.3 van de Beleidsregels is, voor zover van belang, bepaald:
“(…) Bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is moet altijd gekeken worden naar de algemene situatie. Daarnaast moet ook beoordeeld worden of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de specifieke aanvrager. (…) Ook de financiële mogelijkheden van de cliënt kunnen hierbij een rol spelen. Hierbij geldt dat het aan de cliënt is om aannemelijk te maken een (in beginsel) algemeen gebruikelijke voorziening voor hem niet tot de (financiële) mogelijkheden behoort. Dit is uitdrukkelijk aan de cliënt. Want bij het onderzoek naar de vraag of een voorziening voor een ieder als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden, mag het inkomen en/of vermogen geen rol spelen. De financiële situatie speelt dus alleen een rol als een cliënt betwist dat hij een algemeen gebruikelijke voorziening kan betalen. In zo’n geval kan het inkomen van de cliënt een rol spelen, maar ook het feit dat hij door een schuldsaneringstraject of beslag op zijn inkomen geen financiële ruimte heeft om te sparen of een lening af te sluiten. Als er sprake is van een plotseling optredende, onvoorziene noodzaak kunnen voorzieningen of kosten, die normaal gesproken als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt, dat toch niet zijn. (…)”
4.4.
De beroepsgrond dat de kosten voor een douchecabine, inclusief plaatsing, hoger zijn dan circa € 190,-, is niet onderbouwd en slaagt daarom niet.
4.5.
In de uitspraak van 20 november 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3535) heeft de Raad overwogen dat aan de geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo 2015 kan worden ontleend dat het college niet gehouden is tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening wanneer het gebruik van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn een uitkomst bieden. Verder heeft de Raad in deze uitspraak overwogen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt als deze niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en deze financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.
4.6.
De Raad maakt uit artikel 1.3 van de Beleidsregels op dat het college ervoor heeft gekozen om niet enkel aan de hand van het onder 4.5 beschreven toetsingskader te beoordelen of de door appellante aangevraagde voorziening als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Het college beoordeelt immers daarnaast of een (in beginsel) algemeen gebruikelijke voorziening dit ook is in de individuele situatie van de desbetreffende cliënt, mede gelet op diens financiële mogelijkheden. Gelet hierop dient artikel 1.3 van de Beleidsregels als buitenwettelijk begunstigend beleid te worden aangemerkt. Dit betekent dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt beschouwd en dat alleen wordt getoetst of zodanig beleid op consistente wijze is toegepast. Het buitenwettelijke karakter brengt mee dat de vraag of het beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat, of het beleid onredelijk is dan wel of er sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht verder niet ter beoordeling staat (vergelijk CRvB 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:992).
4.7.1.
Het college heeft bij het bestreden besluit gemotiveerd het standpunt ingenomen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 1.3 van de Beleidsregels in verband met haar financiële situatie of wegens een plotseling optredende onvoorziene noodzaak. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college zijn beleid ten aanzien van appellante niet consistent heeft toegepast.
4.7.2.
Uit het onder 4.6 genoemde toetsingskader volgt dat niet kan worden getreden in de beoordeling van de vraag of het beleid onredelijk is, en of zich bijzondere omstandigheden voordoen die afwijking van het buitenwettelijk begunstigend beleid rechtvaardigen. De grond van appellante dat het niet aan haar is om aannemelijk te maken dat een (in beginsel) algemeen gebruikelijke voorziening voor haar niet tot de financiële mogelijkheden behoort, slaagt derhalve niet.
4.8.
Gelet op de overwegingen 4.4 tot en met 4.7.2 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet daarom - met verbetering van de gronden - worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D.S. de Vries en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2021.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) A.A.H. Ibrahim