Uitspraak
19.1164 WAJONG
OVERWEGINGEN
BESLISSING
H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2021.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1975, diende in 2002 een Wajong-aanvraag in vanwege klachten na een whiplashtrauma. Het UWV wees deze aanvraag af omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt was. In 2016 diende appellant opnieuw een aanvraag in met vermelding van de diagnose Immuun Trombopenie (ITP) uit 2006, welke door het UWV werd afgewezen omdat de arbeidsongeschiktheid pas na zijn 17e verjaardag was ontstaan en hij niet voldeed aan de studieverplichting.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht de aanvraag afwees en dat het bewijsrisico bij appellant ligt vanwege de laattijdige aanvraag. Appellant stelde in hoger beroep dat hij al op zijn zeventiende en achttiende beperkingen ondervond door ITP en dat bewijsnood bestond vanwege de zeldzaamheid van de ziekte.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat er geen medische gegevens zijn die aantonen dat appellant op zijn 17e of 18e al beperkingen had door ITP. Het bewijsrisico ligt bij appellant omdat het medisch beeld in het verleden niet meer verantwoord kan worden vastgesteld. De verklaring van de gemeente in 2021 over arbeidsongeschiktheid biedt geen inzicht in de situatie destijds. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-aanvraag wegens laattijdige aanvraag en bewijsrisico bij appellant.